Dat ze geen afstammeling is van de meest zelfbewuste soort blijkt uit het resem coup-de-foudres die haar elk op zich wel gelukkig maakte, tot elk van hen zich meester over haar maakte. Zo was er de werkverslaving, de plantenobsessie, de boekenmanie, de glas- en kristalpassie, de steen- en mineraaladoratie, en ga zo maar door. Wetende dat ze met haar man op een klein appartement woont, is het wellicht overbodig te vermelden dat er in hun garage geen plaats was voor een auto.
De vonk van bewondering, aangewakkerd door haar nieuwsgierigheid, deed haar alles verslinden wat met het object van haar verlangen te maken had. En haar speurneus wist steevast nieuwe vertakkingen of varianten bloot te leggen.
Ze ging letterlijk en figuurlijk gebukt onder de stenen, haar woonkamer was een jungle waar kinderen verstoppertje speelden, en wanneer haar ogen over de oneindige rijen ongelezen boeken dwaalden, voelde hun eenzaamheid en haar schaamte als een papercut.
Maar in tegenstelling tot passie, welke ontspruit in het hart en dus leeft van de liefde, kan obsessie niet teren op vuur en lucht alleen. Het vergt karrevrachten brandhout om zo’n inferno gaande te houden. Bij elke obsessie of nieuwe stiel rooide ze ganse hectaren van haar lijf. En daar begon het na 35 jaar roofbouw en 0 jaar bosbeheer te sputteren. Haar natuurlijke bronnen waren uitgeput. Zelfs de vraag van welk hout pijlen te maken, kon ze niet meer stellen, er was geen twijgje meer te bespeuren.
Het was in díe braakliggende staat en op dát wanhopige moment dat het haar begon te dagen: het had al jaren niet meer geregend en de natuurlijke stroom van emoties was onderbroken. Daar waar ooit een gezonde kolkende rivier vol glinsterende vissen het land van water had voorzien, rees er nu een reusachtig betonnen shoppingcenter.
Met lede ogen zag ze hoe datgene waarvan ze altijd overtuigd was geweest dat het haar geluk zou brengen, erkenning en het gevoel ergens bij te horen, haar innerlijke bron had drooggelegd.
Ze voelde hoe de zoute waterlanders zich piekend een weg baanden over haar schilferige wangen. Eindelijk waren de dammen gebroken.
Vele regenbuien later priemden de eerste grassprieten uit de nog wat gebarsten aarde. Met kinderlijke verwondering staarde ze naar het ontluikende leven. Ze kon nu zelfs gelukkig zijn om de destructie van voorheen, want het was in die verschroeide aarde dat de potentie van dit nieuwe leven besloten lag.
Dat besef, dat er zelfs geluk verscholen ligt in het destructieve, geeft haar het geloof dat er in alles geluk te vinden is, al is het maar een grassprietje groot.
Plaats een reactie